vrijdag 20 februari 2009

Dé student bestaat niet

In de huidige discussie over ‘het nieuwe leren’ valt het op dat voor- en tegenstanders stelselmatig voorbijgaan aan het feit dat leerlingen en studenten zo verschillend zijn qua leerstijl. De onderwijswerkvorm die voor de een heilzaam is kan voor de ander desastreus zijn. Leerlingen met een ‘reproductiegerichte’ leerstijl hebben baat bij docenten die de stof frontaal voor de klas stap voor stap uitleggen, terwijl leerlingen met een ‘betekenisgerichte’ of ‘toepassingsgerichte’ leerstijl meer baat hebben bij zelfstudie of praktische opdrachten.
Het is frappant dat de voorstanders van ‘het nieuwe leren’, waarbij scholieren veel in groepen werken aan een probleem of project, deze methode heilig verklaren voor iedereen, terwijl de tegenstanders deze werkvorm verketteren en krachtig pleiten voor de dominante rol van de vakspecialist voor de klas die in bevlogen bewoordingen ‘kennis overdraagt’ en het vak in ere houdt. Over leerstijlen is door onderwijskundigen als Kolb en Vermunt voldoende gepubliceerd om tot een genuanceerde aanpak te kunnen komen. Zowel leerlingen als docenten zijn onderling verschillend wat betreft leerstijlen of doceerstijlen. En van die verschillende stijlen zijn er maar vier. Onderwijskundigen lijken de mensheid in vier soorten te verdelen. Hetzelfde doen sommige sociologen (Mary Douglas met haar grid-group theorie) en ook veel managementgoeroes. Die goeroes maken duidelijk dat niet iedereen op dezelfde manier begeleiding behoeft bij het overgaan naar een nieuwe situatie, dat niet iedereen op dezelfde manier leert. Want je moet leren om in de nieuwe situatie je weg, positie, taak of rol te vinden.

In het werk en in het privé-leven geldt hetzelfde als in het onderwijs: wanneer het leerproces niet wordt afgestemd op de leerstijl van de leerling, zal de hierin gestoken energie leiden tot weinig resultaat. Leerlingen raken gefrustreerd en verzetten zich tegen veranderingen. Wanneer managers, docenten, verenigingsvoorzitters hun leer- en veranderingstrajecten inrichten op basis van de leerstijlen van de doelgroep, verdwijnt het verzet tegen verandering. Mensen willen graag leren!

Nu hanteert elke onderwijsinstelling zijn eigen onderwijsmodel; men gaat voor ‘het nieuwe leren’ of men wijst dat af en zweert bij ‘de vakman voor de klas’ of men laat het over aan de sectie of vakgroep en hanteert daarmee ook een model, namelijk het uiterst liberale laissez faire laissez passer. Aan al deze bestaande modellen kleven drie fundamentele bezwaren, namelijk:

1. Ze zijn niet waardevrij; in de modellen zit een voorkeur voor een bepaald gedragspatroon.
2. De modellen zijn situationeel; dit houdt in dat afhankelijk van de situatie dezelfde persoon in een ander vakje kan worden geplaatst.
3. Ze gaan volledig voorbij aan een essentieel punt: de relatie leraar – leerling.

Om aan de bezwaren van bestaande modellen tegemoet te komen en om efficiënt leren te bevorderen is het noodzakelijk om de verschillen in leerstijlen en doceerstijlen, zoals die zich nu eenmaal manifesteren, serieus te nemen en het onderwijs daar op in te richten.

Volgens Van de Griend streeft ieder mens naar bestaanszekerheid, maar verschillende soorten mensen doen dat op een andere manier. Het verschil zit in de wijze waarop mensen omgaan met angst, of meer algemeen met de onzekerheden waarmee het onderwijs en de sociale omgeving hen confronteert. Zo heeft ieder mens een voorkeursaanpak die herkenbaar is in elk gedragspatroon of activiteit. Bijvoorbeeld:
· Je kunt een voorkeur hebben om situaties voor jezelf en anderen inzichtelijk te maken;
· Je kunt een voorkeur hebben om problemen direct op te lossen;
· Je kunt een voorkeur hebben om met een grondige en beproefde methode aan de slag te gaan;
· Je kunt een voorkeur hebben om op willekeurige momenten naar ideeën te zoeken en die te presenteren.
Deze voorkeursaanpakken zijn kenmerkend voor iemands leerstijl. Onderwijskundigen veronderstellen dat mensen door hun aard, aanleg, opvoeding en vroege ervaringen zich een leerstijl hebben eigen gemaakt die bij hen past, waar ze zich veilig bij voelen. Er zijn kennelijk vier soorten manieren waarop je met onzekerheid, met bedreigingen, kortom met angst omgaat. Elk persoon hanteert op basis van zijn karakterstructuur een voorkeursaanpak en bij elk van de vier basismentaliteiten past een andere leerstijl. Voor een leraar of coach is het dus van essentieel belang de te leren stof aan te bieden in een vorm die past bij de mentaliteit van de leerling. Bestaat de doelgroep uit leerlingen met een verschillende ‘karakter’structuur, en dat is vrijwel altijd het geval, dan is variatie in het leeraanbod vereist om bij alle individuen door te dringen.
We kunnen nu vier leerstijlen onderscheiden:
1. De betekenisgestuurde leerstijl (komt van pas bij interactieve leersituaties zoals bij probleemgestuurd onderwijs, leerlingen functioneren in een zelfsturende groep)
2. De ervaringgestuurde leerstijl (werkt goed bij korte termijndoelen zoals bij projectonderwijs, leerlingen zijn het liefst zelfsturend)
3. De reproductiegestuurde leerstijl (leerstof wordt stapsgewijs opgebouwd, leren wordt door docent en leerling gezien als overdragen van kennis, de docent en het boek sturen)
4. De vrijblijvend gestuurde leerstijl (ruimte voor veel nieuwe eigen ideeën en voor autodidactisch leren)

Afhankelijk van iemands leerstijl is een aangepaste benadering nodig om het leertraject zo effectief en efficiënt mogelijk te laten verlopen. De leraar/coach moet zich bewust zijn van de leerstijlen van zijn leerlingen, maar ook van zijn eigen stijl.

Onderwijskundigen stellen dat lerenden een leercirkel doorlopen: ideevorming, verdieping, toepassing, reproductie en evaluatie en weer een nieuw begrip of idee. Dat mag dan wel zo zijn, maar niemand leert echt zo keurig stapsgewijs. Veel meer voor de hand liggend is om te veronderstellen dat de leercirkel een ongelijkmatig omhooggaande spiraal is waarbij de steile stukken, de leersprong, voor elk van de vier leerstijlen op een andere plek ligt.

Onderwijsinstellingen moeten tot een genuanceerde aanpak kunnen komen. Dit houdt in dat scholen, van VMBO tot HBO en WO, het onderwijs zo organiseren dat leerlingen en studenten een breed scala van onderwijswerkvormen krijgen aangeboden. Praktisch organisatorisch zou dit betekenen dat onderwijsinstellingen het onderwijs aan een cohort instromende studenten verzorgen in parallelle stromen die zich onderscheiden in onderwijswerkvorm. Bijvoorbeeld een stroom waarin het accent ligt op PGO, een tweede waarin projectonderwijs centraal staat, een derde waarin frontaal klassikaal onderwijs domineert en een vierde waarin ‘natuurlijk leren’ of Montessorie-achtige werkvormen centraal staan.
Onderwijsinstellingen moeten er tevens rekening mee houden dat naast leerstijlen ook verschillende doceerstijlen bestaan. Je hebt onder docenten prima procesbegeleiders, enthousiaste stimulatoren, serieuze instructeurs en pure vaklui. Maar laat een procesbegeleider niet los op een groep leerlingen die stapsgewijs uitleg willen krijgen want dan ontstaat er een, wat Vermunt noemt: destructieve frictie. Zo ook als leerlingen die het moeten hebben van zelfstandig werken aan praktijkopdrachten stilletjes in de bank monologen van een instructeur moeten aanhoren, als is dat nog zo’n vakman of vakvrouw. Zowel leerlingen als docenten zijn dus onderling verschillend wat betreft leerstijlen of doceerstijlen.
Met die wetenschap voor ogen zal het voor onderwijsmanagers (en bestuurders en politici) makkelijker zijn het onderwijs in de verschillende werkvormen zodanig te differentiëren dat alle deelnemers zich op hun gemak gaan voelen. Dat is op zich al winst en bovendien zullen de rendementen stijgen, wat in Nederland hard nodig is.

1 opmerking:

  1. Mijn oud-collega Barry stuurde me onder meer deze reactie;

    Beste Piet
    Bij het lezen van het artikel word ik overvallen door een aantal filosofische concepten, die me net iets te vlug gaan. Het is heel leuk om te zien hoe jij allerlei 4-delingen uit de literatuur met elkaar weet te vergelijken en de overeenkomsten weet aan te tonen, maar waar je nou uiteindelijk heen wilt of wat je wilt aantonen zie ik niet meer. Bij je conclusies kom je uit op 4 leerstijlen, die je koppelt aan de diverse 4-delingen die eerder voorbij kwamen. En terecht merk je op dat leerlingen met verschillende leerstijlen door scholen optimaal gematched zouden moeten worden met verschillende onderwijsmethoden. En dat ook de rol van docent moet passen bij de leerstijl van de student.
    Moeite heb ik met het idee dat alle leerstijlen en dus ook alle leren het gevolg zou zijn van angstreductie. Zouden mensen alleen leren om hun angst te reduceren?
    Alles bij elkaar een interessante poging om concepten uit heel verschillende hoek met elkaar te vergelijken en aan elkaar te koppelen. Ik vind het echter een lange en ingewikkelde omweg om te komen tot enkele simpele aanbevelingen.
    Barry

    Mijn reactie: Beste Barry,
    Jij vraagt je af: ‘zouden mensen alleen leren om hun angst te reduceren?’ Nee dus. Dat beweer ik ook niet. Hopelijk leren de meeste mensen vanuit positieve motieven. Maar áls ze dan aan het leren slaan dan komen ze voortdurend in situaties terecht waarin emoties een rol spelen zoals nieuwsgierigheid, ambitie, intellectuele uitdaging, maar ook aan angst of onzekerheid gerelateerde emoties. En naar mijn overtuiging zie je juist dán de verschillen in de MANIER WAAROP mensen leren. Het leven op school is zo vol van kleine en grote bedreigingen dat wij, als onderwijsmensen, door de bomen het bos niet meer zien. Denk aan examenvrees, huiswerkstress, het rode potlood, bang voor het stellen van ‘domme’ vragen, groepsdruk, de stress van de tempobeurs, autoritaire of onbegrijpelijke docenten, hopeloze gevoelens als ‘wat moet ik nu eigenlijk weten’, ‘moet ik dit leren’, ‘is dit werkstuk wel goed genoeg’, ‘snap ik het wel’, en last but not least ‘doe ik wel de goede studie’ of ‘wat kan ik straks met mijn diploma?’. Hiermee adequaat omgaan vereist wel een strategie van het individu terwijl niet iedereen zich bewust zal zijn van de consistentie van zijn of haar strategisch handelen. Wat ik betoog is dat wetenschappers in dat strategisch handelen een viertal verschillende patronen onderscheiden.
    Piet

    BeantwoordenVerwijderen